Al vanaf de oudheid proberen filosofen en strategen geweld te rechtvaardigen als meer dan slechts het dienen van eigenbelang. Oorlog kan - onder sommige omstandigheden - een middel zijn voor het bereiken van verheven morele doelen. In dit artikel komen diverse van deze theorieën in vogelvlucht voorbij, met verwijzingen naar andere artikelen.
Theorieën
over rechtvaardige oorlogen gaan terug op onder meer
Aristoteles en
Cicero in
de oudheid en een middeleeuwse
katholieke
traditie van
Augustinus tot
Aquinas. De belangrijkste vroegmoderne,
seculiere variant op deze traditie is ongetwijfeld
De
JureBelli ac Pacis (Over het recht van oorlog en vrede) van
Hugo de Groot. Meer informatie en
verwijzingen naar klassieke (en moderne) teksten over rechtvaardige oorlogen zij
hier te vinden.
Michael Walzer heeft in 1977 met zijn beroemde boek Just and Unjust Wars de basis gelegd voor de hedendaagse theorieën
over rechtvaardige oorlogen. Hij probeert criteria te formuleren, die gewapende
humanitaire interventie rechtvaardigen. In een toespraak uit
2006 legt hij uit waarom regime change
geen basis vormt voor een rechtvaardige
oorlog. Het rapport The Ethics of Armed
Humanitarian Intervention van het United
States Institute of Peace vat de belangrijkste historische en actuele
argumenten voor en tegen gewapende humanitaire interventie samen, om tot de
slotsom te komen dat dergelijke interventie in sommige (uitzonderlijk) gevallen
nog altijd wenselijk en ethisch noodzakelijk is.
In een toespraak in Chicago
uit 1999 legde Tony Blair de basis
voor het hedendaagse politieke discours van gewapende humanitaire interventies.
In een tijdperk waar de Balkan het grootste veiligheidsprobleem vormde en er
tien jaar lang geen wereldwijde militaire conflicten waren geweest, pleitte hij
voor verregaande internationale samenwerking op basis van wederzijdse
economische belangen en een respect voor de mensenrechten. Acht jaar later en
vele interventies verder staat
Blair nog altijd achter zijn beleid, ondanks Irak waar de humanitaire en
neoconservatieve rechtvaardigingen in elkaar over gingen. In maart van 2004 gaf
de huidige Franse minister van buitenlandse zaken, Bernard Kouchner een toespraak
waaruit blijkt dat ook hij pleitbezorger is voor deze ideologie van humanitaire
interventies. Als medeoprichter van Artsen Zonder Grenzen was Kouchner
bovendien betrokken bij één van de eerste organisaties die (ongewapende)
humanitaire interventie als haar primaire taak had.
Thomas P. M. Barnett, die tussen 2001 en 2003 als strategisch consulent werkte voor de
Secretary of Defence, pleitte in 2003 voor een nieuwe strategie
van de V.S. om door regime change achtergestelde landen (de ‘gap’) binnen te halen in de nieuwe,
geglobaliseerde wereldorde (de ‘core’).
Het veronderstelde gevaar dat dergelijke landen vormen voor de nieuwe
wereldorde zou dit in de hedendaagse context tot een rechtvaardiging van oorlog
maken. Ondertussen is ook hij teleurgesteld geraakt in de uitkomst van de
invasie en de onwil van de regering Bush om haar fouten te erkennen en een
andere strategie uit te stippelen. In maart 2006 beschrijft hij in ‘Monks of War’ hoe
anders het gaat binnen het leger, waar men om slachtoffers te vermijden zo snel
mogelijk probeert de lessen uit het veld te integreren in de organisatie. Om regime change mogelijk te maken is
een interventiemacht nodig die mislukte staten niet alleen kan veroveren, maar
ook politiek kan stabiliseren en hervormen.
Norman Podhoretz behoort, samen met onder andere oud-VN ambassadeur John Bolton, tot de
slinkende groep neoconservatieve commentatoren, die nog onvoorwaardelijk achter
het buitenlandse beleid van president Bush staan. Volgens hem is Amerika
verwikkeld in de Vierde Wereldoorlog (de Koude Oorlog was de derde) tegen het
totalitaire ‘islamofascisme’. Na de invasie van Irak (die hij allerminst als
mislukt beschouwt) is de volgende stap, volgens
Podhoretz, een serie luchtaanvallen tegen Iran, om diens nucleaire
programma onschadelijk te maken. In een interview
geeft hij toelichting bij zijn argumenten.