Artikel

 
Manuel Castells

1. Lezing Manuel Castells


De invalshoek van mijn lezing is de crisis van de democratie en van de politieke legitimiteit die zich overal ter wereld voordoet. De reden van die crisis moet niet gezocht worden in de persoonlijke kwaliteiten van politici. Het gaat om iets veel fundamentelers: de problemen die het politieke systeem ondervindt nu het zich moet aanpassen aan de moderne technologie en aan nieuwe processen van sociale en economische organisatie. Er gaapt een kloof tussen de wijze waarop de wereld functioneert en hoe het politieke systeem werkt. Dat is de crisis van de politieke legitimiteit.

tekst uitklappen [ + ]

Ik hoop in mijn lezing duidelijk te maken dat de oplossing van die crisis niet moeten worden gezocht in het zoeken naar andere politici, maar in het aanpassen van het hele politieke systeem aan de veranderde sociale, economische en technologische omstandigheden. Welke concrete politieke maatregelen daarvoor nodig zijn krijgt u van mij niet te horen. Het is aan u om uit te maken of mijn algemene analyse al dan niet van toepassing is op de situatie in Nederland. Niet dat ik hier een abstract filosofisch betoog ga houden, want mijn analyse is gebaseerd op waarnemingen die ik in tal van landen heb gedaan.

Laat ik beginnen met de wereldwijde crisis van de politieke legitimiteit. Wat houdt die crisis precies in? Overal ter wereld wijzen opiniepeilingen op een dalende trend in het vertrouwen van burgers jegens hun regeringen en politieke leiders. Kiezers gebruiken hun stem om hun afkeuring over wat er gebeurd is kenbaar te maken en niet zozeer om uit te drukken wat er volgens hen zou moeten gebeuren. In september 2000 presenteerde Kofi Annan tijdens de Millennium-vergadering van de VN een opiniepeiling die Gallup in opdracht van de VN had verricht. Daaruit bleek dat tweederde van de hele wereldbevolking zich niet vertegenwoordigd voelt door de regeringen in die landen. Dit geldt ook voor de gevestigde westerse democratieën. In 2000 voelde 70% van de kiezers in Californië zich niet vertegenwoordigd door de regering van de staat Californië en evenmin door de federale regering. En 39% vond dat hun politieke leiders schurken waren.

In alle landen is politicus het laagst gewaardeerde beroep. De wijze waarop het wantrouwen in politici wordt uitgedrukt verschilt - afhankelijk van het politieke stelsel - sterk van land tot land, maar over het algemeen genomen vertrouwen burgers politici niet. Dit uit zich onder meer in lage opkomstcijfers bij verkiezingen. Bij de laatste presidentsverkiezingen in de VS bedroeg het opkomstpercentage nauwelijks 50%, bij de verkiezingen voor het Congress varieert het tussen 40% en 50%, bij de lokale verkiezingen tussen 10% en 30%. In Frankrijk had twee dagen voor de vandaag gehouden presidentsverkiezingen de helft van de kiezers zijn stem nog niet bepaald. Dat maakt het allemaal erg onvoorspelbaar.

Het algemene ongenoegen komt ook tot uiting in de toename van proteststemmen voor extreme kandidaten, ook als deze geen kans om te winnen hebben. Ik zou zelfs willen zeggen: juist omdat ze geen schijn van kans hebben. Le Pen is een goed voorbeeld van dergelijke populistische, xenofobe of zelfs racistische kandidaten.

Tegelijkertijd hebben de politieke partijen in de meeste landen hun vroegere betekenis verloren. Het zijn verlengstukken van de staat geworden. Politieke partijen dienen niet meer om de politieke strijd te organiseren maar fungeren als systemen van politieke organisatie om aan de macht te komen.

De crisis van de politieke legitimiteit gaat gepaard met een afname van de maatschappelijke betrokkenheid van de burger. De politicoloog Robert Putnam heeft een boek gepubliceerd over deze trend, die in Amerika zo’n vijfentwintig jaar geleden is ingezet. Niet alleen politieke partijen, maar ook allerlei andere maatschappelijke organisaties die het zout en de peper in de Amerikaanse samenleving zijn zien hun aanhang slinken, waaronder feministische organisaties en vakbonden. In de Verenigde Staten is nog maar 15% van de werknemers georganiseerd. Ook in de meeste andere landen daalt het ledental van vakbonden sterk. In Frankrijk en Spanje bedraagt de organisatiegraad 12%, in Italië 20%. De meeste vakbonden houden zich voornamelijk bezig met het beschermen van banen en niet met het organiseren van werknemers in de strijd tegen het kapitaal.

NGO’s spelen een belangrijke maatschappelijke rol, vooral in de internationale arena. Momenteel zijn er meer dan 40.000 NGO’s internationaal actief. Ik noem ze neo-gouvernementele organisaties omdat de meeste op een of andere wijze door regeringen worden gesubsidieerd. Ze zijn eerder gedecentraliseerde verlengstukken van de staat dan dat ze een nieuwe civil society belichamen.

Evenals het eerdergenoemde stemgedrag is de populariteit van single issue-bewegingen kenmerkend voor de groeiende kloof tussen burgers en het politieke systeem. Zowel in de media als in de publieke opinie heerst cynisme over de politiek. Dit betekent echter niet het einde van de ideologieën. Er is overal ter wereld nog veel ideologische bevlogenheid. Het probleem waar het hier om gaat is het einde van het vertrouwen in de politiek.

Hoewel de Scandinavische landen relatief minder last hebben van deze crisis treedt ook daar een flinke stijging op in het aantal xenofobe kiezers, zoals onder meer gebleken is bij de laatste landelijke verkiezingen in Denemarken. In Noorwegen is 20% van de stemmers xenofoob. Zelfs in Finland, ‘s werelds meest democratische land, groeit het verzet tegen immigranten.

Voor deze mentaliteitsverandering zijn drie fundamentele oorzaken voor aan te wijzen:

1. de crisis van de natiestaat in het tijdperk van globalisering;
2. een nieuwe politieke technologie, die ik ‘mediapolitiek’ noem;
3. De corruptie in de politiek.

Om de beginnen het eerste en belangrijkste punt: de crisis van de natiestaat. De staat slaagt er steeds slechter in om de problemen die burgers ervaren op te lossen. Politici worden gekozen om problemen aan te pakken. Als dat niet lukt geven de kiezers hen daarvan de schuld. De crisis van de natiestaat leidt zo tot een vermindering van de politieke effectiviteit en ondermijnt op die manier het vertrouwen in de politiek.

De macht van de natiestaat wordt aangetast door de globalisering. Onze Europese munt is gekoppeld aan internationale markten. Nationale regeringen hebben weinig greep op hun munt en daardoor ook slechts een beperkte invloed op monetaire en economische ontwikkelingen. Evenals het financiële verkeer is ook de productie van goederen en diensten gemondialiseerd. Tweederde van de wereldhandel is in handen van multinationals. Ook in hun loonpolitiek zijn staten sterk afhankelijk van wat in andere landen gebeurt. De internationalisering van de economie maakt het voor politici steeds moeilijker om hun beloften na te komen.

De globalisering strekt zich ook uit tot de criminele economie. Volgens schattingen van het IMF wordt jaarlijks tussen 1 en 1,5 biljoen dollar aan zwart geld witgewassen. Dat komt overeen met het BNP van het Verenigd Koninkrijk. De enorme toename van de mondiale criminele economie heeft niet alleen gevolgen voor het sociale weefsel van onze samenleving, maar ook voor het institutionele systeem, de politieke partijen, de staat.

Regeringen zijn afhankelijk van communicatie- en informatieprocessen. Ook op die gebieden neemt de globalisering steeds meer toe. Mediaconcerns zijn internationaal georiënteerd. Communicatie via internet, satellieten en kabel-tv overschrijdt de landsgrenzen en onttrekt zich aan controle door nationale regeringen.

Wetenschap en techniek zijn transnationaal. Geen land is in staat ze te beheersen. Waar het op aankomt is het vermogen van een land om aansluiting te krijgen op wetenschappelijke en technologische netwerken.

Hoe meer mensen zich bedreigd voelen door deze globaliseringsprocessen, des te meer gaan ze hechten aan hun specifieke identiteiten, van welke aard dan ook: nationaal, regionaal, lokaal, religieus, etnisch, enz. Daarmee ondermijnen ze het burgerschapsprincipe waarop de natiestaat berust, namelijk dat alle afzonderlijke identiteiten uiteindelijk opgaan in één overkoepelende identiteit.

In tegenstelling tot wel is beweerd zal de natiestaat niet verdwijnen. Natiestaten passen zich aan door nieuwe bronnen aan te boren om zich te legitimeren. Ze kiezen voor bestuursdecentralisatie op regionaal en lokaal niveau, zoeken via NGO’s aansluiting bij de moderne samenleving en erkennen de legitimiteit van regionale bewegingen. Sommige stadsbesturen, dat van Barcelona bijvoorbeeld, spelen een belangrijke rol bij de herlegitimering van de democratische politiek. Naarmate de economie mondialer wordt ontwikkelen stadstaten zich tot belangrijke netwerken.

Maar decentralisatie helpt de natiestaten niet in hun streven om op mondiaal niveau greep te krijgen op processen die beslissend zijn voor rijkdom en macht. Ze proberen dat doel te bereiken door deel te nemen aan supranationale instellingen, zoals de NATO, IMF en Europese Unie. Omdat ze samen sterker staan zijn ze bereid een deel van hun soevereiniteit met andere staten te delen. De natiestaat geeft echter zijn zelfstandigheid niet op. De Europese Unie is geen federale Europese staat, maar een coalitie van natiestaten.

Het resultaat van dit alles is een nieuw soort staat, die ik ‘de netwerkstaat’ noem. De netwerkstaat kent bestuur op supranationaal, co-nationaal, nationaal, regionaal, lokaal en NGO-niveau. De interactie tussen al deze niveaus is een zeer complexe aangelegenheid.

Het is deze staat die de beslissingen neemt. Het systeem van politieke vertegenwoordiging sluit daar niet bij aan; het is volslagen verouderd. Hoe complexer de besluitvorming en hoe verder deze afstaat van wat mensen willen, des te kleiner het maatschappelijk draagvlak voor die beslissingen.

Aan de anti-globaliseringsdemonstraties naar aanleiding van de WTO-conferentie in Seattle namen allerlei groeperingen deel. Wat verbond Amerikaanse vakbondsactivisten die tegen import uit Brazilië waren met Franse boeren, feministen en milieu-activisten? Hun gemeenschappelijk beginsel was ‘no globalisation without representation’, naar analogie van het ‘no taxation without representation’ dat tijdens de Amerikaanse revolutie opgeld had gedaan. Staatsrechtelijk gesproken hadden de activisten in Seattle ongelijk, want in de WTO zijn de regeringen op democratische wijze vertegenwoordigd en de regeringen op hun beurt zijn democratisch gekozen. Maar dit mechanisme van vertegenwoordiging mag dan legitiem en democratisch zijn, de kloof tussen wat mensen willen en wat er in het mondiale besluitvormingsproces gebeurt is er niet minder om.

Als tweede oorzaak voor de vertrouwenscrisis in de politiek noemde ik de mediapolitiek. De media - in het bijzonder televisie - spelen een hoofdrol bij de vorming van de publieke opinie op alle gebieden. Ze voorzien het publiek van informatie in woord en beeld en houden het een beeld van de samenleving voor. Op hun beurt worden de media door het publiek gevoed. Het politieke discours is voor een groot deel verschoven van de politieke instituties naar de media.

Dit houdt echter niet in dat de media de politiek bepalen. De media hebben alleen invloed zolang ze hun geloofwaardigheid weten te bewaren. Die geloofwaardigheid verliezen ze door stelselmatig te kiezen voor bepaalde politieke standpunten van bijvoorbeeld de regering of het zakenleven. Zodra ze partijdig worden voelt het publiek zich gemanipuleerd door de media. Media hebben de macht niet in handen maar vormen de ruimte waarin het spel om de macht wordt gespeeld. De politiek moet daarom de taal van de media spreken. Politieke partijen die daar niet in slagen worden marginaal.

Behalve mediapolitiek omvat de moderne politieke technologie ook allerlei marketingstrategieën en instrumenten, waaronder opiniepeilingen. Politieke partijen kijken niet zozeer naar wat er in de wereld gebeurt maar wat het publiek wil dat er gebeurt.

Politieke systemen tenderen tegenwoordig naar een tweedeling tussen een centrumrechts blok en een centrumlinks blok. In die twee blokken zitten 45% van de kiezers. In de verkiezingsstrijd gaat het om het centrum daartussen. Dat verklaart waarom verkiezingsprogramma’s steeds meer op elkaar gaan lijken. De partijen zelf verschillen wel degelijk van elkaar. Neem bijvoorbeeld de Franse presidentsverkiezingen: de deelnemende partijen houden er totaal uiteenlopende benaderingen van het leven en de samenleving op na. Toch concentreren ze zich in hun programma’s op het centrum, waardoor ze bijna niet uit elkaar zijn te houden. Wanneer de een met een bepaald standpunt komt dat de zwevende kiezer aanspreekt nemen de anderen het over.

In de mediapolitiek is men uit op eenvoudige boodschappen: die vinden immers de meeste weerklank in de media. De eenvoudigste boodschap is een persoon, of liever gezegd het beeld van een persoon. In alle landen gaat de persoonlijkheid van de politieke leiders een steeds grotere rol spelen. Niet het partijprogramma op zich is geloofwaardig, maar de persoon die daarachter staat. De kiezer is op zoek naar iemand die hij kan vertrouwen. Mediapolitiek gezien komt dit erop neer dat in de verkiezingsstrijd de geloofwaardigheid van de eigen kandidaat en de ongeloofwaardigheid van de tegenstanders worden benadrukt. Een negatieve boodschap blijkt in de media een grotere impact te hebben dan een positieve boodschap. Goed nieuws is geen nieuws, zowel in de media als in de politiek. Je moet dus niet zozeer vertellen hoe goed je zelf bent, maar hoe slecht de andere kandidaten of partijen zijn.

Als laatste oorzaak van de politieke vertrouwenscrisis noemde ik de corruptie in de politiek, die de media steeds meer aan de kaak stellen. De Britse socioloog John Thompson spreekt in dit verband van een ‘politics of scandal’. Die schandaalpolitiek houdt nauw verband met de hoge kosten van infopolitiek, d.w.z. het bedrijven van politiek via de media met behulp van de moderne informatietechnologie. Met infopolitiek is veel geld gemoeid, ook in landen waar dure mediacampagnes ongebruikelijk zijn. Verkiezingskandidaten kunnen zelf niet het benodigde geld opbrengen. De financiering van politieke partijen is een hypocriete aangelegenheid. Omdat burgers geen geld willen geven zijn de partijen gedwongen om het ergens anders vandaan te halen. Over het algemeen - ik spreek hier niet over afzonderlijke landen - is de illegale financiering van politieke activiteiten een wijdverspreide praktijk. Dit opent de weg naar corruptie: schenkingen aan de partijkas worden beloond met politieke gunsten.

Over bijna alle politieke partijen is belastende informatie te verkrijgen. Partijen kunnen zelf of via gehuurde stromannen informatie over andere partijen laten lekken. Er is een hele zwarte markt van tussenpersonen die zich bezighouden met het verzamelen, fabriceren, verkopen en gebruiken van politiek gevoelige informatie. Hoe meer actoren daaraan deelnemen, des te meer de politieke partijen - ook de meest integere - worden gedwongen om een voorraad ammunitie aan te leggen waarmee ze een tegenaanval kunnen inzetten. Zodra een partij ergens van wordt beschuldigd herinnert deze de aanvaller aan diens eigen missers.

Is er tegenwoordig veel meer corruptie dan vroeger? De statistieken wijzen uit dat corruptie een op en neer gaand verschijnsel is. Wereldwijd gezien is de trend momenteel waarschijnlijk opgaand, maar belangrijker dan de feitelijke corruptie is het gebruik dat van bestaande corruptie wordt gemaakt om schandaalpolitiek te bedrijven. Op die manier wordt corruptie de belangrijkste politieke factor in tal van landen. Italië en Japan zijn bekend om hun corruptieschandalen maar ook in een land als Duitsland komen ze veel voor. Sinds januari 2001 heeft Duitsland veertien grote corruptieschandalen gekend, waaronder dat rond bondskanselier Kohl.

De laatste tien jaar is de schandaalpolitiek een beslissende factor geweest in het lot van regeringen en politieke partijen. Belangrijker zelfs dan ideologische botsingen of verschillen van inzicht op economisch gebied. De schandaalpolitiek heeft de legitimiteitscrisis verergerd omdat het draagvlak voor politieke hervormingen erdoor is versmald: veel burgers geloven niet meer dat de beloofde hervormingen ook werkelijk zullen plaatsvinden. Het politieke discours wordt theatraal en ongeloofwaardig. Omdat het vertrouwen in de politiek is gebroken ontwikkelen burgers hun eigen overlevingsstrategieën.

Zolang het alleen om gewone problemen gaat is er weinig aan de hand. Mensen willen in vrede doorgaan met hun leven. Maar zodra zich een crisis voordoet en het vertrouwen is gebroken, hebben demagogen vrij spel. De geschiedenis van alle landen ter wereld levert daar de bewijzen van.

Gelukkig wordt er ook tegenspel geboden aan deze gevaarlijke ontwikkelingen. Om te beginnen zijn mensen wel cynisch over de politiek maar dat wel niet zeggen dat ze alleen nog maar aan zichzelf denken. Grote groepen mensen komen op voor algemene belangen, waaronder velen die niet in de politiek geloven. Zowel nationaal als internationaal is er een grote solidariteit. Over de hele wereld worden humanitaire acties ondersteund. Er is een enorm reservoir aan maatschappelijke betrokkenheid aanwezig, alleen de verbinding met het politiek systeem ontbreekt.

De alternatieve globaliseringsbeweging laat een ambigu beeld zien. Aan de ene kant zijn er belangengroeperingen die alleen voor zichzelf opkomen, aan de andere kant voeren tal van mensen actie voor een betere wereld op een manier die een paar jaar geleden nog onbekend was. Dat bewijst dat er voldoende potentieel voor sociale mobilisatie is, zowel op lokaal als mondiaal niveau. Immigranten gaan steeds meer vechten voor hun rechten. Vrouwengroepen ontwikkelen nieuwe vormen van politiek, de politiek van het dagelijks leven.

Internet is bij uitstek het medium waarin de vitaliteit van de autonome organisatie en communicatie tot uitdrukking komt. Niet dat ik een tegenstelling wil maken tussen het mooie internet en het boosaardige politieke systeem. Op internet vind je alles, dus ook sexisme, xenofobie en racisme. We moeten internet zien als een medium dat mogelijkheden biedt voor autonome organisatie en uitbreiding van het politieke systeem.

Op lokaal en mondiaal niveau vindt een dialoog plaats over de problemen waar mensen tegenaan lopen. Mogelijk komen uit die gedachtewisseling nieuwe vormen van democratie voort. Maar het zou ook kunnen gebeuren dat mensen zich in hun eigen leventje terugtrekken en een prooi worden voor demagogen. Wanneer mensen zich bedreigd voelen zoeken ze hun toevlucht tot de oudste functie van de staat: die van beschermer tegen geweld. De opiniepeilingen in de Verenigde Staten na Elf September spreken wat dat betreft boekdelen. De Amerikanen steunen hun regering, zijn er trots op en willen dat deze in actie komt. De regering heeft dus een grote legitimiteit. Tegelijkertijd voelt de Amerikaanse burger er niets voor zijn persoonlijk leven aan de regering toe te vertrouwen: er is alleen vertrouwen in de regering in haar hoedanigheid van politieagent.

Aan de ene kant zijn er de crisis van de democratie en het gevaar dat mensen zich uit de samenleving terugtrekken. Aan de andere kant dreigt de opkomst van een nieuw autoritarisme om de barbaren buiten de deur te houden. Maar tegelijkertijd worden er ook bescheiden pogingen ondernomen om in deze door crisis en vrees beheerste wereld nieuwe waarden ingang te doen vinden.


Manuel Castells tekst uitklappen [ + ]


Gerelateerd

 

Links

Meer |


Zoekfilter

Uitgelicht

do 09 sep

Crash Course Congo: Wit-wit-wit klopt mijn hart (ihkv Allez Congo!)

 
Wit-wit-wit
di 14 sep

And Justice for ALL: Waarheid of verzoening

 
Waarheid of verzoening?
do 16 sep

Cineville Talkshow: Exit through the Giftshop

 
Exit through the giftshop
vr 17 sep

My Kid Could Paint That

 
My Kid Could Paint That
ma 20 sep

KennisCafé #26: Kolder of kennis

 
Kolder of kennis

Oproep | Denk mee over Millennialprogramma's in De Balie!

 
Millennials